De vragen en discussies die bij Inleiding geschiedwetenschap horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 31 vragen, waarvan 28 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Ze stelden andere vragen en kozen andere bronnen. Browning vroeg waarom zo weinig mannen weigerden. Hij las hun naoorlogse verklaringen en zag groepsdruk. Goldhagen vroeg waarom niemand gestraft werd voor weigeren. Hij stapelde anekdotes op die de gretigheid van daders lieten zien. Volgens De Vries draagt elk daderboek bovendien een mensbeeld uit. Dat lijkt op Geyls standpunt van de historicus. Alleen klopten bij Goldhagen ook de feiten niet.
De Vries is daar voorzichtig over. Finkelsteins vermoeden over Israël noemt hij speculatief. Zijn eigen kritiek gaat over brongebruik en mensbeeld. Kun je het werk van een historicus beoordelen zonder naar zijn motieven te kijken?
Wie één boek over Napoleon leest, krijgt één standpunt en houdt dat snel voor de waarheid. Leg je de beelden van verschillende historici naast elkaar, dan zie je hoe elk oordeel afhangt van tijd en overtuiging. Volgens Geyl zit in elke mening een deel van de waarheid. Je leert dus meer over Napoleon, omdat je meer kanten ziet. En je leert meer over historici, omdat je ziet waar hun standpunt vandaan komt.
Begin bij Geyls zin dat historici uit verschillende tijden dezelfde persoon nooit hetzelfde zien. Hun eigen tijd kleurt hun standpunt. Maza zegt iets vergelijkbaars over het hele vak. Maar is dat hetzelfde mechanisme? Geyl kijkt naar één historicus, Maza naar een hele samenleving.
Zie ze als drie lagen. Het verleden is alles wat ooit gebeurd is, ook wat niemand opschreef. Geschiedenis is wat historici ervan maken: met onderzoek bouwen ze een verhaal met een argument. Volgens Maza maken ze hun object daarbij zelf. Historiografie is de geschiedenis van de geschiedbeoefening: hoe historici in verschillende tijden over het verleden schreven. Geef op het tentamen een voorbeeld per laag. Denk aan Napoleon zelf, een boek over Napoleon, en Geyls vergelijking van Franse historici over Napoleon.
Maza geeft losse aanwijzingen. Ze noemt het nuttige verleden van vorsten en dynastieën, het verhaal van de natie, militaire geschiedenis en biografie, en de cursus "Western civilization". Wat hebben die gemeen? En wie ontbrak er volgens de groepen die later hun eigen geschiedenis zochten?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Maza ontkent dat niet. Hendrik VIII is haar eigen voorbeeld: zijn scheiding leidde tot de breuk met Rome. Haar punt is een ander. Wie kiest voor grote mannen en politiek, krijgt drie aannames gratis mee. De staat is het belangrijkste terrein, leiders drijven verandering aan en politiek is publiek. Zo vallen gewone mensen en het gezin buiten beeld voordat het onderzoek begint. Zeg op het tentamen dus allebei: individuen kunnen beslissend zijn, en alleen naar hen kijken is zelf een keuze.
Zo wordt het meestal gebruikt. Walter Johnson wijst op wat er in het woord meekomt: het ideaal van liberaal individualisme. En agency omvat ook verraad en collaboratie. Denk verder: welk handelen bedoel jij precies, en waarom doet het ertoe?
Omdat het iets heel anders zegt over de samenleving. In een stad waar dezelfde mensen blijven, ontstaan vaste buurten en netwerken. In Boston was in de jaren 1880 minstens een derde van de bevolking nieuw. Thernstrom gebruikt dat als fundament voor zijn eigenlijke onderwerp, sociale mobiliteit. Wie stijgt of daalt, kun je pas meten als je weet wie blijft en wie vertrekt. Aan het eind van het hoofdstuk kondigt hij die vraag ook aan.
Meer dan je denkt. Zelfs de laagste waarde ligt ver boven de 65.179 uit de netto cijfers. Bovendien komen twee andere methoden op ongeveer een derde nieuwkomers uit. Denk verder: welke conclusie zou je met deze marge niet durven trekken?
Die regel raakt volgens hem de kern van het politieke systeem. Na 1688 hoorden politieke rechten een eeuw lang bij bezit. Ireton verdedigde die logica al in Putney. Een vereniging die iedereen toelaat, zegt dat meepraten geen voorrecht van bezitters is. De L.C.S. brak ook met het radicalisme van Wilkes, waarin een factie de menigte gebruikte. Daarom noemt Thompson de regel een scharnier van de geschiedenis. Zo verklaart hij ook de aanklacht wegens hoogverraad.
Het is een bewuste keuze. Met Hardy en Place laat Thompson zien dat de grens tussen gezel en baas vloeiend was. Hij twijfelt zelf aan het etiket "working-class". Denk verder: wanneer wordt een gemengde groep een klasse, en wat zou Thompson daarop antwoorden?
Anderson noemt de natie een imagined community: de leden ontmoeten elkaar nooit, dus de band zit vooral in hun hoofd. De dagelijkse krant in de eigen taal gaf lezers het gevoel bij één gemeenschap te horen. Verbeeld betekent hier geen onecht. Juist omdat miljoenen mensen in de natie geloven, bouwt ze legers, scholen, wetten en paspoorten. Een idee waar zoveel mensen naar handelen, verandert levens.
Maza kiest voor het eerste: wie de ruimte anders indeelt, vindt andere actoren. Denk aan Sahlins in de Cerdanya of White bij de Grote Meren. Maar denk ook aan Family Fortunes, dat lokaal onderzoekt en toch een nationale conclusie trekt. Wanneer levert een nieuwe ruimte een nieuw verhaal op?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Ze beschrijven dezelfde verandering, met een andere vraag. Thoreau oordeelt: het verlies van wolf en bever is voor hem moreel verval. Cronon leest dat oordeel als een romantisch gekleurde bron, naast de vooruitgangsoordelen van Johnson en Rush. Zijn eigen vraag is hoe de natuur veranderde en waardoor. Daarvoor weegt hij reisverslagen, archieven en stuifmeel. Thoreaus fout met de fir gebruikt hij zelfs als les in bronkritiek.
Kijk wat stuifmeel wel en niet kan. Het toont welke soorten er groeiden, maar zegt niets over een stad die haar bomen beschermde. Cronon wil de menselijke kant in de ecologische inbedden. Welke van die twee vragen beantwoordt een ecoloog zonder archief?
Volgens Dobbs wel. Het gangbare verhaal leest Newtons methode als wiskunde, experiment, waarneming en rede. Die lezing ontstond pas na Newton, toen alchemie buiten de wetenschap viel en de belangstelling voor God afnam. Newton zelf zocht één goddelijke Waarheid langs elke weg, ook via alchemie en oude wijsheid. Zijn aantrekkingskracht ging bovendien in tegen de mechanische filosofie van zijn tijd. Een rechte lijn van "bijgeloof" naar "rationaliteit" past slecht bij de man die er het symbool van is.
Dobbs draait de vraag om. Dat alchemie geen wetenschap is, geldt pas sinds de achttiende eeuw. In de zeventiende eeuw scheidde men wel de serieuze "philosopher by fire" van de knoeier. Welke maatstaf gebruik jij: die van nu of die van de tijd zelf?
Hij bedoelt een ideeëngeschiedenis die alleen in het hoofd speelt. Ideeën gaan dan van denker op denker, los van lichamen, geld en lezers. Dat is het model van Lovejoy. Skinner (1969) zette teksten terug in het gesprek van hun tijd. Darnton (1971) vond in archieven dat schandaalpamfletten de Revolutie meer voedden dan de philosophes. Daarna kwamen uitgevers, de geschiedenis van het lezen en vrouwen als Wollstonecraft erbij. Het denken kreeg zo een lichaam en een wereld.
Constructivisten zeggen niet dat elke theorie even goed is. Ze laten de waarheidsvraag rusten met het symmetriepostulaat. Shapin en Schaffer laten zien hoe Boyles feit een feit werd. Maar als je die vraag nooit stelt, kun je dan nog uitleggen waarom het experiment won?
Riskin verwacht die vraag en zegt nee. Ze schrijft een geschiedenis van dingen in wisselwerking met ideeën. Dat zie je aan de redenering. Harvey kon het orgel als model gebruiken omdat Engelse kerken onder James I weer orgels hadden. Willis haalde zijn beeld van de ziel bij smeden en glasblazers, die met vuur, lucht en licht werkten. De machines om hen heen gaven de denkers hun modellen. Haal je de machines weg, dan begrijp je de ideeën minder goed.
Riskin noemt het woord in beweging, en dat is iets anders dan betekenisloos. Er was een gangbare lezing van Descartes met passieve dierautomaten. Willis verzette zich daartegen. Lamy gaf tegelijk een streng mechanistische verklaring met een grillige windwijzer. Is "mechanistisch" dan één positie, of de naam van een debat?
Juist dat vertrouwen is haar punt. Bezoekers denken dat ze zonder tussenpersoon naar het verleden kijken en zelf oordelen. Maar elke opstelling is gemaakt door mensen die kiezen wat er staat en wat ontbreekt. Jordanova noemt de voorwerpen schoongemaakt en verpakt, en de verhaallijnen simpel. Bij de Enola Gay schrapte politieke druk een hele tentoonstelling. Tervuren zweeg een eeuw over de koloniale slachtoffers. Een museum is dus ook een argument, alleen herken je het niet als argument.
Maza schrijft zelf niet over queer geschiedenis; hoorcollege 5B vult dat in. Denk aan drie dingen uit haar hoofdstuk: vernieuwing vanuit de seksuele marges, archieven die vooral machthebbers bewaren, en mondelinge geschiedenis waar het archief zwijgt. Ontstaat zo'n geschiedenis buiten de universiteit en verandert ze daarna de academie, in welke kolom hoort ze dan?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Omdat het volgens hem onvermijdelijk is, hoe onnauwkeurig ook. Hij verschuift alleen de betekenis. De marxistische bourgeois, de industriële eigenaar van de productie, bleek in de archieven nauwelijks te bestaan. Wel was er de bourgeoisie d'Ancien Régime: rentiers, artsen, advocaten en bestuurders in de steden. Dat past bij achttiende-eeuwse woordenboeken, waarin een bourgeois een stadsburger was. Houd die twee betekenissen op het tentamen uit elkaar.
Darnton erkent dat het gewaagd lijkt. Zijn verdediging zit in zijn vraag. De statistiek van Labrousse telde groepen, maar gaf de bourgeois geen gezicht. Eén lange tekst toont met welke categorieën iemand zijn wereld ordende. Wanneer weegt die diepte op tegen breedte?
In de praktijk niet, analytisch wel. Wie vertelt hoe een staking werd gewonnen, moet ergens stilstaan bij een synchrone beschrijving van de vakbond. Toch loont het scheiden, want de keuze bepaalt je taak. Wie oorzaken zoekt, verklaart met kennis achteraf hoe we van A naar B kwamen. Wie betekenis zoekt, reconstrueert hoe mensen bij A hun wereld beleefden. Koppel die twee taken aan stromingen: marxisme en Annales tegenover micro- en cultuurgeschiedenis.
Begin bij wat oorzaken zinvol maakte: een verhaal met een eindpunt, zoals de natie of de val van het kapitalisme. Dekolonisatie en het einde van de Koude Oorlog haalden dat eindpunt weg. Maar Maza noemt oorzaken ordenen nog steeds een van de beste oefeningen. Is causaliteit dan echt verdwenen?
Samenvatting Inleiding geschiedwetenschap · Oefenen met Inleiding geschiedwetenschap · Bekijk prijzen