De vragen en discussies die bij Introductie Oudheid horen: verbanden, tegenstellingen en denkfouten uit de stof. 33 vragen, waarvan 30 met een antwoord dat vrij te lezen is.
Meer dan je bij de eerste blik denkt. Vast staan de schrijver en de ontvanger, de aanspreekvorm "broer" en de moord aan het hof. Ook het huwelijk van Tušratta's zus, de geschenken, de buit en de namen van de boden zijn zeker. Onzeker is vooral het stuk over Hatti in regels 30-35. Het begin is aangevuld en er ontbreekt tekst. Vuistregel voor het tentamen: bouw je argument op de bewaarde regels, en zeg het erbij als je een aangevulde passage gebruikt.
Het begrip vat goed samen wat de brieven laten zien: grootmachten die elkaar in evenwicht hielden. Toch spreken de koningen zelf de taal van familie. Ze zijn "broers" en "houden van elkaar". Denk zelf verder: wat raak je kwijt als je die woorden alleen als beleidstaal leest?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Ze zegt ook allebei, en dat is precies haar positie. De term beschrijft een proces in één richting: inheemsen verliezen hun identiteit en zelfstandigheid. Daarom vindt ze de kritiek terecht. Toch is er minder bewijs voor inheemse invloed op kolonisten dan andersom. Grieks verving overal de lokale talen, en Griekse materiële cultuur ging overheersen. Het model is dus te eenzijdig, de uitkomst die het beschreef is wel aantoonbaar. Houd die twee op het tentamen uit elkaar.
Volgens Antonaccio eigenlijk niet direct. Etniciteit draait om afstamming, een gedeelde geschiedenis en een thuisland, en die criteria zitten in verhalen. Iemand met Grieks aardewerk kon zich inheems voelen. Welke bron zou je dan wél nodig hebben om te weten hoe een Siceel zichzelf zag?
De handleiding noemt drie dingen. Gedeelde mythen en stambomen gaven elke nieuwe gemeenschap een plek in één Grieks verhaal. De heiligdommen van Delphi en Olympia waren voor alle Grieken. Daar kwamen ze samen en wedijverden ze bij de spelen. En op het symposion beoefende de elite overal dezelfde cultuur. Ook het contact met anderen hielp. Wie onverstaanbaar sprak was een barbaros, en juist dat verschil maakte Grieken bewust van wat ze deelden.
De tekst op de beker staat vast. Wat verschuift, is de context: lag de beker bij een kind of bij volwassenen? Maak dus onderscheid tussen het voorwerp en het verhaal eromheen. Denk zelf verder: hoeveel van wat je over kolonisatie leest, rust op dat tweede soort kennis?
Ja, zeggen Kallet en Kroll, zolang je zegt wat voor rijk het was. Athene annexeerde niets. Het had alleen tribuutdistricten, geen bestuurseenheden zoals Perzische satrapieën of Romeinse provincies. Toch voelden de steden de macht: Atheense functionarissen, soms een garnizoen en vooral het tribuut. Thucydides spreekt van archè en noemt de leden vaak onderdanen. Gebruik het woord "rijk" dus gerust. Leg er op het tentamen wel bij uit dat het een informele heerschappij was, die vooral op geld steunde.
Omdat het beslissende bewijs ontbreekt. Metaalanalyse zou de knoop kunnen doorhakken. In latere uilen is buitenlands zilver gevonden, maar de vroege gestandaardiseerde munten zijn nog niet onderzocht. Welke uitslag van zo'n analyse zou de derde verklaring bevestigen, en welke zou haar verzwakken?
Wel, maar minder dan over de elite, en dat moet je erbij zeggen. Tschen-Emmons noemt twee oorzaken. Archeologen zochten lang vooral bij elitelocaties. En mensen met weinig middelen lieten minder na, vaak van materiaal dat vergaat. Toch is het onderzoek veranderd: het boek van Tschen-Emmons behandelt ook openbare toiletten, paardenbitten en dobbelstenen. Vraag op het tentamen daarom bij elk voorwerp wiens leven het laat zien, en wie er ontbreekt.
Allebei. Een Atheense uil is een voorwerp: zilver, gewicht, stijl, vindplaats. Er staan ook letters op, ΑΘΕ, net zoals de Romeinse mijlpaal een tekst draagt. Welke vragen beantwoord je met het opschrift, en welke alleen met het voorwerp en zijn vindplaats?
Een oordeel, en je moet zeggen van wie. De klassieke periode heet zo omdat politiek, wetenschap en kunst in Athene en elders bloeiden. Het begin bij 480-479 is gekozen omdat die bloei pas na het verzet tegen Perzië kon komen. Dat is een redenering van moderne historici, en sommigen vinden haar te simpel. Voor Perzië was de oorlog bovendien een grensconflict. Gebruik de term dus, maar zet de indeling en het perspectief erbij.
Zo'n monument werkt ook voor wie de lijst niet leest. Het zegt dat Athene heerst, dat de bondgenoten betalen en dat Athena erboven staat. Voor wie was die boodschap vooral bedoeld: de Atheners zelf, of de bondgenoten die elk jaar hun tribuut naar Athene brachten?
Juist daarom, zegt Strootman. Om te praten waren die talen overbodig: Grieks en Aramees waren de omgangstalen, en het hof had tolken. Het spreken van hun taal liet iets zien. In een openbare audiëntie toonde Cleopatra dat al die volken bij haar rijk hoorden. Dat past in een oude traditie. Darius I noemde zich koning van de landen van alle talen. Mithradates VI zou de talen van zijn onderdanen hebben gesproken.
Weinig. We hebben één passage van Plutarchus, die een oudere bron navertelt. Strootman denkt dat die bron van het hof kwam, omdat de volken zo goed bij de Donaties passen. Maar wat zegt een bron van het hof zelf over wat Cleopatra echt kon?
Omdat een film ook een bron is. The Man Who Would Be King gaat over twee Britse avonturiers die in Afghanistan voor een nieuwe Alexander de Grote worden aangezien. Over Alexander zelf zegt de film weinig. Hij zegt veel over hoe Europeanen de Oudheid gebruikten, in 1888 (Kipling) en in 1975 (Huston). Je stelt dezelfde vragen als bij Plutarchus: wie maakte hem, wanneer, voor wie, en wiens stem ontbreekt?
Griekse taal en bouwkunst verspreidden zich echt, tot in Afghanistan. Maar het theater van Ai Khanoum was van lokale leemsteen, voor een publiek uit de regio. Wie 'hellenisering' zegt, kijkt naar wat de Grieken brachten. Wat zie je als je naar de lokale elites kijkt?
Zeker weten doen we het niet. Appianus en Justinus noemen het een gerucht. Eckstein verdedigt de echtheid. Polybios, de dichtstbijzijnde bron, neemt het in meerdere boeken serieus. Een nieuwe inscriptie toont Philippos die in 201 een veroverde stad aan Antiochos geeft. En Rhodos maakte zich in 197 op voor een riskante strijd tegen Antiochos. Belangrijk voor je essay: Ecksteins hoofdlijn hangt er niet aan. Ook bij een vals pact zochten de zwakke staten Rome als tegenwicht.
Ze delen veel feiten: ook Eckstein noemt Rome militaristisch. Het verschil zit in de vraag. Harris vraagt hoe de Romeinen over oorlog dachten. Eckstein vraagt waarom Rome won en waarom het in 200 ingreep. Kun je een verklaring bedenken die beide lagen combineert?
Ze kijken naar iets anders. Heinze zocht plezier in de strijd en vond dat niet. Harris kijkt naar prikkels: wat leverde oorlog een aristocraat op, en wat werd publiek geëerd? Dan blijkt oorlog normaal en de hoofdbron van gloria. Harris wijst ook op bronnen die Heinze mist. Polybios beschrijft tweegevechten, Sallustius de wedijver om als eerste toe te slaan. Heinze heeft dus een punt, maar zijn beeld is misleidend. Zeg op het tentamen altijd op welk criterium twee historici verschillen.
Harris kijkt bewust naar de aristocratie, omdat die over oorlog besliste en het bevel voerde. Zijn bronnen komen ook allemaal van of over die elite. Wat gewone burgers vonden, blijft buiten beeld. Is een verklaring vanuit de besluitvormers genoeg, of moet je ook weten waarom boeren elk voorjaar weer meegingen?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
"Objectiever" is hier een vergelijking. Polybios is niet neutraal. Hij vindt het Romeinse stelsel beter dan de Macedonische monarchie en de Griekse democratie. Toch beschrijft hij Romeinse wreedheden en nederlagen. Bij hem lees je ook over oorlogen die te vermijden waren of door Rome lijken uitgelokt. Livius tekent Rome als verdediger die nooit begint. Vraag bij elke bron dus twee dingen: wat vindt de schrijver, en toont hij ook wat tegen zijn oordeel ingaat?
Polybios kiest het moment zelf. In 4.28 legt hij uit dat de oorlogen daarvoor apart begonnen en daarna in elkaar overliepen. Maar hij schrijft achteraf, met de Romeinse overheersing als eindpunt. Zou een Carthager hetzelfde breekpunt kiezen?
Omdat hij kiest wat hij vertelt en hoe hij het noemt. Cooley zegt het rechtuit: de RGDA wil geen nauwkeurig verhaal van zijn tijd geven. Wel toont de tekst de ideologie van die tijd, in de woorden van Augustus zelf. Gebruik hem dus voor de vraag hoe Augustus gezien wilde worden. Controleer de feiten met andere bronnen, zoals Dio Cassius, Suetonius, munten en gebouwen. Ook die hebben hun gebreken: Dio kijkt vanuit de derde eeuw.
Cooley vindt van niet. Propaganda komt van bovenaf. Bij haar consensus nemen senaat, ridders, volk en kolonisten de thema's zelf over, zoals de elites in Galatië. Maar wie bepaalde welke thema's er waren om over te nemen? En als meedoen loont, hoe vrij is die keuze dan?
Uit de Res Gestae zelf weet je dat niet. Augustus is precies waar het hem goed uitkomt: 30.000 teruggegeven slaven, meer dan 700 senatoren, drie keer de Janustempel dicht. Over zijn tegenstanders blijft hij vaag. Cooley noemt de tekst geen nauwkeurig verhaal van de tijd. Voor de feiten heb je andere bronnen nodig, zoals Dio Cassius en Suetonius. Wat het getal wel zegt: Augustus vond deze daad belangrijk genoeg om te tellen.
Lees hoofdstuk 34 goed. Augustus geeft de staat terug, maar zegt erbij dat iedereen vond dat hij alle macht had. Daarna heeft hij meer gezag dan wie ook. Is een verandering die zich als herstel voordoet minder ingrijpend, of juist slimmer?
Omdat je een bron voor verschillende vragen kunt gebruiken. Over het leven van de Hunnen zegt de passage weinig. Ammianus geeft zelf toe dat oude geschriften hen nauwelijks kennen, en veel details komen uit Herodotus, Homerus en Tacitus. Over de Romeinse wereld rond 390 zegt de passage juist veel. Je ziet hoe een ontwikkelde Griek in Romeinse dienst een ramp verklaart. Je ziet ook welke traditie hij paraat had en welke boodschap hij de keizer meegaf.
Burgersdijk ziet in boek 31 veel Herodotus: dezelfde volkenlijst, en de Boudini en Geloni als mogelijk model voor het tweeluik. Toch laat Ammianus de taal weg en gebruikt hij het tweeluik voor een ander doel. Waar ligt voor jou de grens tussen navolging en eigen ontwerp?
Nog geen antwoord: een vraag om zelf over na te denken.
Het woord roept een beeld op dat niet klopt: één volk met één herkomst en één bestemming, dat georganiseerd verhuist. Volgens de handleiding waren de migraties van de Late Oudheid meervoudig en versnipperd. Onderweg stonden ze steeds in wisselwerking met de gebieden en mensen die ze tegenkwamen. Het woord hoort bovendien vaak bij "barbaarse invasies". Dan neem je ongemerkt de blik van de Romeinse bronnen over. Schrijf op het tentamen liever over migratiestromen en zeg welke groep je bedoelt.
Kijk naar wie ze zijn en voor wie ze schrijven. Ammianus werkt met de klassieke etnografie en heidense voortekenen. Ambrosius spreekt een keizer toe met een bijbelse profetie en Gods toorn. Welke van de twee leunt volgens jou het meest op een bestaande traditie?
Samenvatting Introductie Oudheid · Oefenen met Introductie Oudheid · Bekijk prijzen